Belastingadviespraktijk
Bert Karst

VOOR AL UW BELASTINGAANGIFTEN EN BIJBEHOREND BELASTINGADVIESWERK

17 SEPTEMBER 2019 - mr. L. Karst RB





RB-SPECIAL PRINSJESDAG 2019




Het Belastingpakket met fiscale maatregelen voor 2020 bestaat uit de volgende zes wetsvoorstellen: 


1. Belastingplan 2020 (Kamerstuk 35302) 

2. Overige fiscale maatregelen 2020 (Kamerstuk 35303) 

3. Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord (Kamerstuk 35304) 

4. Wet bronbelasting 2021 (Kamerstuk 35305) 

5. Wet afschaffing fiscale aftrek scholingsuitgaven (Kamerstuk 35306) 

6. Wet implementatie richtlijn harmonisatie en vereenvoudiging handelsverkeer tussen lidstaten (Kamerstuk 35307).


Het Belastingpakket 2020 is zo veel mogelijk beperkt tot maatregelen die met ingang van 1 januari 2020 in werking moeten treden of vanwege de uitvoerbaarheid vóór die datum in het Staatsblad moeten zijn opgenomen. Andere fiscale maatregelen die met ingang van 1 januari 2021 of later in werking kunnen treden, worden ook voor zover deze op het moment van indienen van het pakket Belastingplan 2020 al bekend zijn, zo veel mogelijk opgenomen in het wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2021 dat het komende jaar bij de Staten-Generaal wordt ingediend. Er zijn de afgelopen zomer twee separate wetsvoorstellen bij de Tweede Kamer ingediend (ATAD2 en DAC6) waarvan de uiterste implementatiedatum op 1 januari 2020 is gesteld. Deze wetsvoorstellen maken geen deel uit van het pakket Belastingplan 2020, maar zij zullen wel eenzelfde behandelschema volgen als de wetsvoorstellen die behoren tot het pakket Belastingplan 2020.



BELASTINGPLAN 2020


In het Belastingplan 2020 (Kamerstuk 35302) staan maatregelen die tenzij anders aangegeven, op 1 januari 2020 ingaan. Aan het Belastingplan 2020 ontlenen wij het volgende. 


1. Inkomensbeleid en koopkrachtpakket 

Onder het koopkrachtpakket 2020 vallen de volgende maatregelen: 

▪ De invoering van het tweeschijvenstelsel voor de inkomstenbelasting die per januari 2021 zou plaatsvinden, wordt naar voren gehaald en wordt al per 1 januari 2020 gerealiseerd. In 2020 geldt dan een basistarief van 37,35% tot € 68.507 en een toptarief van 49,5%. Voor AOW-ers geldt nog een drieschijventarief met een tarief van 19,45% in de eerste en tweede schijf en 37,35% in de derde schijf. (Zie de tabel uit de MEV voor een cijfermatig overzicht van belasting- en premietarieven). 

▪ Er wordt vastgehouden aan het afbouwtraject van het maximale aftrektarief voor de aangewezen grondslagverminderende posten. In 2020 geldt hiervoor een tarief van 46%. 

▪ De algemene heffingskorting in de IB wordt in twee stappen verhoogd: met € 78 in 2020 en met € 2 in 2021. Deze verhoging komt bovenop de beleidsmatige verhoging die al in het basispad zat. Dat komt dan neer op een totale verhoging in 2020 van € 234 ten opzichte van 2019 en een totale verhoging in 2021 van € 90 ten opzichte van 2020. 

▪ De arbeidskorting wordt bovenop de verhoging die al in het basispad zat over het gehele traject verhoogd met in totaal € 285 extra, verdeeld over drie stappen in 2020, 2021 en 2022. 

▪ De zelfstandigenaftrek wordt vanaf 1 januari 2020 van € 7.280 tot en met 2027 verlaagd met € 250 per jaar en per 1 januari 2028 met € 280 tot uiteindelijk € 5.000 met ingang van 1 januari 2028. 

▪ De beloofde verlaging van het hoge Vpb-tarief in 2020 gaat niet door. Daarnaast stelt het kabinet ook voor om het hoge tarief van de vennootschapsbelasting in de structurele situatie met 1,2%-punt minder te verlagen. In 2020 wordt daarmee het tarief in de eerste tariefschijf van de Vpb 16,5% en blijft het tarief in de tweede tariefschijf 25%. Vanaf 1 januari 2021 worden de Vpb-tarieven 15% in de eerste tariefschijf en 21,7% in de tweede tariefschijf. 

▪ Ofschoon daar nog geen concrete voorstellen voor zijn opgenomen in het belastingpakket, laat het kabinet wel weten dat het van plan is om per 2021 het effectieve tarief van de innovatiebox te verhogen van 7% naar 9%, de liquidatie- en stakingsverliesregeling aan te passen en de betalingskorting voor de Vpb af te schaffen. 


2. Vervallen afrekenverplichting hybride saldolijfrenten van vóór 2001 

De in de Invoeringswet Wet IB 2001 opgenomen afrekenverplichting op 31 december 2020 voor hybride saldolijfrenten en voor bepaalde buitenlandse pensioenen vervalt. De afrekenverplichting blijft in stand voor zogenoemde zuivere saldolijfrenten. 


3. Aanpassingen in de werkkostenregeling

In de werkkostenregeling (WKR) worden de volgende aanpassingen doorgevoerd: 

▪ De vrije ruimte wordt vergroot door de invoering van een tweeschijvenstelsel in de berekening van de vrije ruimte: het percentage van de vrije ruimte bedraagt 1,7% voor de eerste € 400.000 van de fiscale loonsom plus 1,2% over resterende loonsom. Dat levert een extra vrije ruimte op van maximaal € 2.000. 

▪ Vergoedingen voor de verklaring omtrent gedrag (VOG) en daarmee vergelijkbare buitenlandse verklaringen komen niet meer ten laste van de vrije ruimte. Daarvoor gaat een gerichte vrijstelling gelden. 

▪ De termijn waarbinnen werkgevers de in het kader van de WKR verschuldigde eindheffing moeten vaststellen wordt met een aangiftetijdvak verlengd. Daardoor hebben zij meer tijd om de juiste verschuldigde eindheffing in verband met overschrijding van de vrije ruimte vast te stellen. 

▪ Branche-eigen producten worden voortaan altijd gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer. Werkgevers kunnen hun werknemers goederen verstrekken die in het bedrijf zelf of in een verbonden vennootschap zijn geproduceerd. Nu nog moet de waarde van deze branche-eigen producten in beginsel worden bepaald op het door de werkgever aan derden in rekening te brengen bedrag (factuurwaarde). Maar voor deze branche-eigen producten bestaat ook een gerichte vrijstelling tot een bedrag van ten hoogste 20% van de waarde in het economische verkeer. Om de bepaling van de waarde van het branche-eigen product in lijn te brengen met de kortingsregeling, worden deze producten voortaan steeds gesteld op de waarde in het economische verkeer.


4. Jaarlijkse indexering van de vrijwilligersregeling

De maximumbedragen van de vrijwilligersregeling van € 170 per maand en € 1.700 per kalenderjaar, worden voortaan jaarlijks aan het begin van het kalenderjaar geïndexeerd. Het geïndexeerde maximumbedrag per kalenderjaar wordt steeds rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 100. Het maximumbedrag per maand is dan steeds een veelvoud van € 10. 


5. Aanpassing onderwijsvrijstelling

De per 1 januari 2016 ingevoerde Vpb-vrijstelling voor onderwijs dat door de overheid wordt bekostigd, wordt aangepast. Voortaan worden de verplichte ouderbijdragen (ten behoeve van toelating tot een internationale afdeling van een bekostigde school) alsnog toegevoegd aan de lijst van financieringsmiddelen die meetellen voor de 70%-bekostigingseis van de onderwijsvrijstelling. Hierdoor komen basisscholen en middelbare scholen die bekostigd internationaal onderwijs aanbieden in aanmerking voor de vrijstelling van Vpb. Bij beleidsbesluit van 9 juli 2019 was dit al met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2016 goedgekeurd. 


6. Verruiming vrijstelling interne activiteiten en quasi-inbestedingsvrijstelling 

De vrijstellingen voor interne activiteiten en de quasi-inbestedingsvrijstelling worden uitgebreid. De vrijstelling voor interne activiteiten en de quasi-inbestedingsvrijstelling zijn op dit moment niet van toepassing als de taken zijn ondergebracht in publiekrechtelijke rechtspersonen, terwijl de vrijstellingen wel van toepassing zijn als deze overheidslichamen privaatrechtelijk waren opgericht. Door de uitbreiding wordt dit verschil in behandeling weggenomen. 


7. Minimumkapitaalregel voor banken en verzekeraars 

Op grond van het Regeerakkoord wordt met de minimumkapitaal-regel voor banken en verzekeraars de fiscale aftrekbaarheid van rente beperkt voor zover het vreemd vermogen van een belastingplichtige meer bedraagt dan 92% van het balanstotaal. Het wetsvoorstel regelt dat voor banken de fiscale aftrekbaarheid van rente en kosten wordt beperkt aan de hand van de leverage ratio uit het prudentiële toezicht. Voor verzekeraars geldt de eigenvermogenratio die wordt berekend aan de hand van de verzekeringsgroepbalans. De maatregel is nodig omdat banken en verzekeraars niet worden geraakt door de earningsstrippingmaatregel. 


8. Verlaging verhuurderheffing om bouw (tijdelijke) woningen te stimuleren 

Binnen de verhuurderheffing worden de volgende twee maatregelen voorgesteld om de bouw van (tijdelijke) woningen te stimuleren: ▪ Een heffingsvermindering voor nieuwbouw van woningen met een huur onder de laagste aftoppingsgrens van de huurtoeslag in schaarstegebieden (regio's waar de druk op de woningmarkt het grootst is). ▪ Een tijdelijke vrijstelling voor tijdelijke woningen (maximaal 15 jaar) die worden gerealiseerd in de periode 2020-2024. 


9. Verlaagd btw-tarief voor elektronische uitgaven 

Voortaan geldt het verlaagde btw-tarief voor elektronische uitgaven zoals e-books, digitale kranten en voor langs elektronische weg geleverde audioboeken. Het verlaagde btw-tarief geldt alleen voor elektronische uitgaven als deze vergelijkbaar zijn met uitgaven op fysieke dragers waarop het verlaagde btw-tarief van toepassing zou zijn, maar voor elke elektronische uitgave hoeft qua inhoud geen identieke fysieke tegenhanger van dezelfde aanbieder te bestaan. Het verlaagde btw-tarief kan ook van toepassing zijn op langs elektronische weg geleverde digitale educatieve informatie onder voorwaarde dat deze informatie (nagenoeg) uitsluitend is bestemd voor informatieoverdracht in het onderwijs, waarbij dit laatste objectief kenbaar of duidelijk moet zijn. Verder wordt ook het verlenen van toegang tot nieuwswebsites (zoals webpagina's van dagbladen, weekbladen en tijdschriften) onder het toepassingsbereik van het verlaagde btw-tarief gebracht. Bijkomstige gebruiksmogelijkheden (zoals een zoekfunctie) staan niet in de weg aan toepassing van het verlaagde btw-tarief. Elektronische uitgaven of nieuwswebsites mogen niet uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit reclamemateriaal, of uit video-inhoud of beluisterbare muziek. 


10. Aanpassingen accijns op tabaksproducten 

Per 1 april 2020 wordt de specifieke accijns van sigaretten verhoogd tot € 219,25 en de minimumaccijns tot € 238,31. De specifieke accijns van rooktabak wordt verhoogd tot € 155,97. Per 1 januari 2021 wordt de specifieke accijns van sigaretten verhoogd tot € 223,82 en de minimumaccijns tot € 243,25. De specifieke accijns van rooktabak wordt verhoogd tot € 160,91.


11. Twee nieuwe vrijstellingen in de assurantiebelasting 

Er komen twee vrijstellingen voor de assurantiebelasting, namelijk voor: ▪ Verzekeringen die geheel of gedeeltelijk mogelijke financiële verplichtingen afdekken die een werkgever heeft bij de verplichting om het loon van een werknemer door te betalen in geval van ziekte of doordat hij (als eigenrisicodrager) zelf het risico draagt van de betaling van ziekengeld, WGA- en overlijdensuitkeringen. ▪ De brede weersverzekering voor actieve landbouwers om weerrisico's af te dekken. 


12. Aftrekuitsluiting voor dwangsommen en voor boeten bij strafbeschikking 

Vanaf 1 januari 2020 geldt in de IB en Vpb dat bestuursrechtelijke dwangsommen en vergelijkbare buitenlandse dwangsommen niet meer aftrekbaar zijn. In de LB wordt geregeld dat die dwangsommen niet kunnen worden aangewezen als eindheffingsbestanddelen. Het aftrek- en aanwijsverbod geldt voor dwangsommen die na 31 december 2019 verbeuren. Verder zijn bij strafbeschikking opgelegde geldboeten voortaan niet meer aftrekbaar in de IB en Vpb. Vergoedingen of verstrekkingen ter zake of in de vorm van bij strafbeschikking opgelegde geldboeten kunnen niet worden aangewezen als eindheffingsbestanddelen in de LB. Voor geldboeten bij strafbeschikkingen is het aftrek- en aanwijsverbod voor het eerst van toepassing op strafbeschikkingen die na 31 december 2019 zijn uitgevaardigd. 


13. Rentevergoeding bij te late terugbetaling Belastingwet BES 

Op grond van de Belastingwet BES moet invorderingsrente worden betaald bij te late betaling door de belastingschuldige, maar vindt er geen rentevergoeding plaats bij te late betaling door de Belastingdienst Caribisch Nederland (BCN). Voorgesteld wordt om voortaan een rentevergoeding te geven indien BCN te laat betaalt. 


14. Grensbedragen voor teruggaaf en terugbetaling BES 

De Wet inkomstenbelasting BES regelt onder meer in welke gevallen een aanslag met een te betalen bedrag wordt vastgesteld en in welke gevallen verrekening van voorheffingen plaatsvindt. Voorgesteld wordt om dezelfde regeling te hanteren voor situaties waarin loon is belast volgens de tabel voor bijzondere beloningen. Tot nu toe geldt voor loon belast volgens de tabel voor bijzondere beloningen een afwijkende regeling. Er wordt voorgesteld deze afwijkende regeling te laten vervallen, ter vergemakkelijking van de uitvoering en ter vereenvoudiging van de regelgeving. 


Ministerie van Financiën 17-09-2019




WET FISCALE MAATREGELEN KLIMAATAKKOORD 


Het Wetsvoorstel Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord (Kamerstuk 35304) bevat de uitwerkingen van een groot deel van de fiscale maatregelen uit het Klimaatakkoord. Aan het wetsvoorstel ontlenen wij het volgende: 


1. Mobiliteit 

▪ De huidige korting op de bijtelling zal na 2020 voor nieuwe elektrische auto's van de zaak worden gecontinueerd. Dat betekent dat de korting op de bijtelling in stappen zal worden afgebouwd tot uiteindelijk nul vanaf 1 januari 2026. Dan gaat voor nieuwe elektrische auto's van de zaak het algemene bijtellingspercentage van 22% gelden. De "cap", het deel van de catalogusprijs waarop de korting van thans 18%-punt van toepassing is, wordt in 2021 verlaagd tot € 40.000 en daarna niet meer aangepast. Met ingang van 1 januari 2026 verliest de cap zijn belang omdat op dat moment ook de korting op de bijtelling zal zijn afgeschaft. 

▪ De cap geldt niet voor auto's met een motor die kan worden gevoed met waterstof. Voor die auto's is de korting op de bijtelling niet gemaximeerd. Deze uitzondering wordt uitgebreid tot zonnecelauto's (de definitie hiervan wordt op dit moment onderzocht). 


2. BPM en MRB emissievrije voertuigen en PHEV's 

▪ Het nihiltarief in de BPM voor emissievrije auto's wordt verlengd tot en met 2024. Vanaf 2025 geldt voor personenauto's met een CO2-uitstoot van 0 gram per km de vaste voet van € 360 (prijzen 2019). 

▪ Het nihiltarief in de MRB voor een personenauto met een CO2-uitstoot van 0 gram per km wordt verlengd tot en met 2024. In 2025 betaalt men voor deze personenauto's 25% van het dan geldende reguliere MRB-tarief en vanaf 2026 100% van het reguliere MRB-tarief. Deze wijziging geldt voor personenauto's, bestelauto's, motorrijwielen, vrachtauto's, rijdende winkels, autobussen en buitenlandse motorrijtuigen. 

▪ In de MRB geldt een halftarief voor een personenauto met een CO2-uitstoot van meer dan nul maar niet meer dan 50 gram per km. In de praktijk voldoen tot op heden alleen Plug-in Hybride Elektrische Voertuigen (PHEV's) aan dit criterium. Dit halftarief in de MRB wordt verlengd tot en met 2024. In 2025 wordt dit halftarief omgezet in een driekwarttarief. Per 2026 vervalt het driekwarttarief en geldt het volledige tarief. 

▪ De huidige correctiefactor voor de massa van een PHEV voor bestelauto's wordt verlengd tot en met 2025 in verband met het zwaardere gewicht van PHEV's ten opzichte van conventionele auto's door de aanwezige batterij. 

▪ Door de Wet uitwerking Autobrief II worden de BPM-tarieven in de periode 2017 tot en met 2020 jaarlijks aangescherpt om gelijke tred te houden met het jaarlijks CO2-zuiniger worden van nieuwe auto's. Na 2020 wordt eenzelfde jaarlijkse aanscherping aangebracht. 

▪ De verlaagde MRB-tarieven voor bestelauto's gaan geleidelijk oplopen met een jaarlijkse stijging van gemiddeld € 24 per jaar (op jaarbasis) vanaf 2021 tot en met 2024. In 2025 wordt het tarief verlaagd met gemiddeld € 24 (op jaarbasis). De tariefaanpassingen worden jaarlijks geïndexeerd. 

▪ De accijns op diesel gaat vanaf 1 januari 2021 met één cent per liter omhoog. Op 1 januari 2023 gaat de accijns op diesel opnieuw met één cent per liter omhoog. 


3. Verschuiving energiebelasting van elektriciteit naar aardgas 

▪ De energiebelasting in de eerste schijf op aardgas wordt in 2020 verhoogd met vier cent per m³ en wordt de zes jaar daarna verder verhoogd met jaarlijks één cent per m³. In het verlengde hiervan wordt het tarief voor de glastuinbouw in de eerste schijf voor aardgas evenredig verhoogd, met 0,642 cent per m³ in 2020 en met 0,161 cent per m³ in de zes jaar daarna. 

▪ Van de tarieven voor de opslag duurzame energie (ODE) voor 2020 zal 33% van de lasten neerslaan bij huishoudens en 67% bij bedrijven. Hierdoor zal de ODE in de 3e en 4e schijf verder worden verhoogd. 

▪ Onderdeel van de tariefstelling van de ODE voor 2020 is een verhoging van de belastingvermindering in de energiebelasting met € 55. 


4. Verhoging tarief overdrachtsbelasting niet-woningen 

Het tarief van de overdrachtsbelasting voor niet-woningen wordt met ingang van 1 januari 2021 verhoogd van 6% naar 7%. 


5. Afvalstoffenheffing 

Afvalstoffen die uit het buitenland zijn overgebracht naar Nederland om hier te worden verwijderd (in de regel om te worden verbrand), worden voortaan in de heffing van de afvalstoffenbelasting betrokken. 


Ministerie van Financiën 17-09-2019



WETSVOORSTEL AFSCHAFFING FISCALE AFTREK SCHOLINGSUITGAVEN 


In het Regeerakkoord was vastgelegd dat de fiscale regeling voor aftrek van scholingsuitgaven zou worden vervangen door een niet-fiscale individuele leerrekening. Het op 17 september 2019 ingediende wetsvoorstel tot afschaffing van de in de Wet IB 2001 opgenomen fiscale aftrek van scholingsuitgaven (Kamerstuk 35306) moet dan ook nadrukkelijk in samenhang worden bezien met de invoering van de vervangende regeling: de Subsidieregeling STAP-budget (Stimulans van de Arbeidsmarktpositie) voor natuurlijke personen met een band met de Nederlandse arbeidsmarkt. Vanwege deze samenhang treedt de afschaffing van de fiscale aftrek voor scholingsuitgaven in werking op het moment waarop de Subsidieregeling STAP-budget in werking treedt. De Minister van SZW heeft al eerder laten weten dat de nagestreefde inwerkingtreding van de Subsidieregeling STAP-budget per 1 januari 2020 niet haalbaar is. De inwerkingtredingsdatum van die subsidieregeling is nog niet bekend, zodat het fiscale wetsvoorstel in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Gezien voorgaande kan in ieder geval in 2020 nog gebruikgemaakt worden van de fiscale aftrek van scholingsuitgaven. 


In het wetsvoorstel is geen overgangsrecht opgenomen voor scholingsuitgaven die worden gedaan in belastingjaren na de afschaffing van de fiscale aftrek van scholingsuitgaven, hoewel voor deze uitgaven wellicht eerder verplichtingen zijn aangegaan. Dit is achterwege gelaten omdat op grond al minimaal een jaar bekend zal zijn dat de fiscale aftrek van scholingsuitgaven op grond van het onderhavige wetsvoorstel wordt afgeschaft in combinatie met het feit dat in 2016 ook al een wetsvoorstel tot afschaffing van die aftrek is ingediend en het voornemen hiertoe ook is opgenomen in het Regeerakkoord. 


Er is wel overgangsrecht opgenomen voor de situatie dat scholingsuitgaven al in aftrek zijn gebracht en daarvoor, na de afschaffing, een teruggaaf wordt ontvangen. Voor die situatie wordt de huidige systematiek van de negatieve persoonsgebonden aftrek gehandhaafd. Het al bestaande overgangsrecht met betrekking tot scholingsuitgaven voor studiejaren tot en met het studiejaar 2014/2015, die destijds door de prestatiebeurs niet tot aftrek leidden, maar alsnog als scholingsuitgaven in aftrek kunnen worden gebracht als de prestatiebeurs niet wordt omgezet in een gift, wordt (anders dan eerder gecommuniceerd) gehandhaafd tot 1 januari 2031. 


De Conceptsubsidieregeling STAP-budget is op 15 juli 2019 via internetconsultatie.nl ter consulatie voorgelegd. Uit de conceptregeling maken wij onder meer op dat de nieuwe regeling jaarlijks zo’n 200.000 mensen in staat moet gaan stellen om met een persoonlijk ontwikkelbudget van (jaarlijks) maximaal € 1.000 inclusief btw een opleiding of cursus te volgen. Het doel is dat meer mensen zich ontwikkelen tijdens hun loopbaan en daardoor beter inzetbaar worden op de arbeidsmarkt. De regeling moet zowel voor werkenden als voor niet-werkenden gelden. In de conceptregeling is geregeld dat jaarlijks maar voor één scholingsactiviteit subsidie kan worden aangevraagd. 


Ministerie van Financiën 17-09-2019